maandag 31 juli 2023

Drukte in de jaren '60, een dip in de jaren '70

In de jaren '60 van de 19e eeuw beleeft de firma Flaes & Brünjes haar hoogtijdagen als het gaat om het aantal nieuwe opdrachten voor de bouw van nieuwe orgels. Dertien jaar na de bedrijfsoprichting, in 1855, wordt in Wormerveer het eerste orgel in gebruik genomen, in 1858 gevolgd door opus 2. Vanaf 1861 tot 1876 volgt er minimaal 1 orgel per jaar, met als hoogtepunt 1866, het jaar waarin 4 nieuwe instrumenten in gebruik worden genomen! Niet gek dat de restauratie van de orgels van de St. Bavo in Haarlem en de Oude Kerk in Amsterdam in respectievelijk 1865 en 1866 worden geweigerd. Bovendien is er persoonlijke tragedie als Flaes' vrouw in 1866 overlijdt. Pieter blijft met zijn 21-jarige dochter achter. Kortom: zonder twijfel intensieve jaren. Maar in jaren ‘70 stagneert de vraag naar nieuwe orgels bij Flaes.


Een bijzondere ontwikkeling ten opzichte van andere orgelbouwers
Landelijk gezien worden er in die tijd nog meer orgels gebouwd dan in het decennium ervoor. Wat dat betreft is het dus vreemd dat Flaes minder orgels gaat leveren. Maar binnen zijn belangrijkste afzetgebied, de provincie Noord- en Zuid-Holland, ligt dat anders. Hier zijn de meeste protestantse kerken inmiddels van een orgel voorzien, hetzij door Flaes zelf of door een andere orgelbouwer. Wellicht daarom zien we bij concurrerend orgelbouwer Knipscheer, die in belangrijke mate hetzelfde afzetgebied heeft, ook al in de jaren '70 een daling in de productiviteit.






Bij bovenstaande grafieken zijn de huis- of zaalorgels van Flaes, waarvan de bouwjaren onbekend zijn, buiten beschouwing gelaten. Van één van de in 1864 gebouwde orgels is niets bekend; dit kan in theorie een van de 2 bekende huis- of zaalorgels zijn.


Te behoudend
Er is ook wel eens gesuggereerd dat de terugloop in nieuwe orgels komt omdat de klankontwikkeling van Flaes' orgels sinds 1865 niet meer is gewijzigd. En op zichzelf klopt het wel dat er geen doorontwikkeling is: vanaf hoogstwaarschijnlijk 1861 worden expressions bij de binnenpijpen toegepast, vanaf 1865 krijgt het fluitpijpwerk in de discant van een wijdere diametermensuur wat een grondtoniger klank veroorzaakt. Maar daarna houden de klankontwikkelingen op. Vindt men Flaes in de jaren '70 te ouderwets. Ik waag dat te betwijfelen, want Flaes' belangrijkste doelgroep (dorpskerken) wenst een technisch betrouwbaar en functioneel orgel voor een schappelijke prijs, van een leverancier die zijn afspraken snel en stipt nakomt. Tot nu toe heb ik nog geen plaatsen ontdekt waar een andere orgelbouwer dan Flaes de opdracht heeft gekregen, omdat die orgels met een moderner klankbeeld zou realiseren. 

Uitstel gevraagd in een rustige periode
Sterker nog, als Flaes in de zomer van 1875 opdracht krijgt om zijn opus 1 in de Doopsgezinde kerk van Wormerveer schoon te maken en de 2-voet van het bovenwerk te vervangen door een Dulciaan 8vt, wil de kerkenraad graag dat dit in het voorjaar van 1876 gebeurt. Maar in juni 1876 lezen we in de kerkenraadsnotulen dat Flaes heeft laten weten dat hij onmogelijk kan beloven om het orgel nog dit jaar te repareren. Of hij een jaar uitstel mag. Spijtig genoeg is de brief van Flaes niet bewaard gebleven. Waarom wil hij uitstel? 

Hij heeft het in elk geval niet te druk met nieuwe orgels; het orgel van Limmen is weliswaar in aanbouw en ergens in 1876 is ook een orgel in Den Burg op Texel in gebruik genomen, maar verder staat er voor zover bekend niets op stapel! Pas in december 1876 wordt een contract getekend voor de bouw van een nieuw orgel in Noord-Scharwoude. En daar doet Flaes dan bovendien ook niet sneller over omdat hij het rustig zou hebben; de bouwtijd is zoals gebruikelijk ongeveer een jaar.

Ik acht het ook niet waarschijnlijk dat Flaes te weinig personeel zou kunnen krijgen om meer opdrachten aan te nemen. Waarom zou dat wel in Amsterdam gelden en niet in Utrecht (Bätz-Witte) en Leeuwarden (Van Dam)? 
Weliswaar zoekt Flaes in juli 1876 wel een knecht, maar in die tijd werkt ook de 22-jarige orgelmakersleerling Arjen Timmenga (1854-1920) gedurende één jaar bij hem om ervaring op te doen (in 1880 zou die met Fokke Bakker een eigen bedrijf in Leeuwarden starten). En verder werken ook minimaal de werknemers  G.F. Jurjaanz (1849-1906) en D.G. Steenkuyl (1838-1921) bij hem. In de drukke jaren '60 lijkt Flaes ook maar een klein personeelsbestand te hebben gehad. 

Het orgel van Noord-Scharwoude, gebouwd in de periode december 1876-januari 1878, een tijd waarin Pieter Flaes privé veel zorg en verdriet gehad heeft. © Regionaal Archief Alkmaar, fotonummer 99.0011_1351_0042_0006

Zorg en verdriet als mogelijk tweede reden
Een tweede oorzaak voor het dalend aantal nieuwgebouwde orgels kan ook liggen in privé-sfeer. 

1). Nadat Flaes' enige dochter na slechts 4 jaar huwelijk haar man heeft verloren en ook een 6 maanden oud kleindochtertje van Pieter in 1875 overlijdt, trekt zijn dochter, de weduwe Geertruid Schreiner-Flaes met enigst overgebleven kleindochtertje in het voorjaar van 1875 bij Pieter in huis. Zo wordt Pieter op 20 maart 1876 van heel nabij geconfronteerd met het overlijden van zijn enige overgebleven kleindochter, net 4 jaar oud... Geertruid wordt langdurig ziek en het verdriet bereikt voor Pieter een dieptepunt als Geertruid zelf begin 1878 overlijdt. In een tijdsbestek van 12 jaar zijn zijn vrouw, schoonzoon, twee kleindochters en zijn dochter hem ontvallen. In de krantenadvertentie maakt Pieter duidelijk hoe hem dit raakt:


2). Als in datzelfde jaar 1878 een contract voor een orgel in Zaandijk wordt getekend, lijkt Flaes zich sterk bewust van zijn gevorderde leeftijd. Bij de standaard bepaling over 10 jaar garantie en de verplichte jaarlijkse stemming, schrijft hij in de kantlijn: “Wanneer men van dit art. niet gediend blijkt, kan het er in zijn geheel uitgelaten worden. Dat men evenwel in het oog houde dat het orgel gestemd moet worden en men dan tevens verzekerd is. Met het oog op mijne jaren de dood verbreekt alle contracten maar zoolang het duurt, duurt het men verliest er niets meede.” Ik krijg het gevoel dat Flaes zich op dat moment niet gezond voelt. En op zich is dat niet heel verwonderlijk, als we bedenken hoeveel verdriet hij de voorgaande 12 jaar heeft gehad. De twee voorgaande nieuwbouwcontracten (Limmen en Noord-Scharwoude) zijn niet bewaard gebleven, die kunnen we niet nalezen. 

Gerrit Nicolaas Bronke (1858-1938), vanaf de ingebruikname in 1880 tot januari 1920 bespeler van het Flaes-orgel in Zaandijk. Ondanks Flaes' voorbehoud, hebben de Zaandijkers nog gebruik kunnen maken van 9 van de 10 garantiejaren! De foto dateert uit de periode 1916-1920. © Gemeentearchief Zaanstad, fotonummer 21_32560.

Weer beter
Maar daarna moet het met Flaes beter zijn gegaan! Al eind 1878, ondanks de kanttekening in het Zaandijker' contract, doet Flaes zijn best om zijn personeel aan het werk te houden. Hij schrijft in november 1878 aan de kerkvoogden dat metselaars, timmerlieden en andere werklui hulp aannemen en weer wegsturen wanneer ze maar believen. Maar "op een oogenblik menschen te krijgen die wezenlijk bekwaamheid in ons vak hebben is onmogelijk, de meeste zijn bij mij geworden wat zij zijn, van daar dat ik er heb die 6, 8, 10, 12 en zelfs meer dan 25 jaren bij mij geweest zijn, met zulk een klupje werk ik voort, het gevolg hiervan is dat het een en ander moet opvolgen". 

Het jaar 1880 is met twee nieuw in gebruik genomen orgels (Zaandijk en Medemblik) en twee plekken waar aan een orgel gewerkt wordt (Broek in Waterland en overplaatsing van Edam naar Westzaan) ronduit druk! Het aantal opdrachten is niet meer zoals in de jaren '60 maar dat is, gezien de landelijke ontwikkeling, logisch. Er zijn wel weer 1 á 2 nieuwbouwopdrachten per jaar (behalve 1884, het jaar waarin merkwaardig genoeg alleen een gereed staand orgel te koop wordt aangeboden, maar dat is een ander verhaal).

Bovendien, bij de navolgende contracten, zoals bij nieuwbouw te Driebergen (1880), restauraties van de orgels in de Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk in Amsterdam (1885) en de Remonstrantse Kerk in Amsterdam (1886), komen we deze kanttekening niet tegen! Zelfs bij wat achteraf zijn laatste orgels blijken te zijn, in Tricht en Gouderak (contracten opgesteld respectievelijk eind 1886 en eind 1887) is hier geen sprake van. En eind oktober 1888 is hij van plan een orgel te bouwen voor de dorpskerk van Baarn, “zoals onlangs nog in de gemeenten Zaandijk, Gouderak en Tricht"Op zich ook logisch dat we in die tijd geen zinspelingen op Flaes' ouderdom tegenkomen, want als Pieter Flaes op Tweede Pinksterdag 1889 overlijdt, is dat onverwacht.


zaterdag 13 mei 2023

Orgelbouwers Flaes & Brünjes: standaardisatie en maatwerk met behoud van kwaliteit

Sinds de jaren '30 van de 19e eeuw is er in ons land een duidelijk toenemende vraag naar nieuwe orgels, met name voor dorpskerken waar tot dan toe de voorzanger de scepter zwaait.

Desondanks bestaat de firma Flaes & Brünjes twaalf jaar, als pas in 1854 de eerste opdracht wordt ontvangen voor de bouw van een nieuw orgel. Dat wordt gebouwd voor de Fries Doopsgezinde vermaning in Wormerveer en een jaar later in gebruik genomen. Dit instrument krijgt 15 stemmen, verdeeld over hoofdwerk en bovenwerk.

Het eerste orgel van Flaes & Brünjes (1855) voor de Doopsgezinde kerk in Wormerveer. Dit frontontwerp zal een handelsmerk van de orgelbouwer worden.

Nadat drie jaar later een eenklaviers instrument voor het Hervormd Diaconieweeshuis in gebruik wordt genomen, komt er vanaf de jaren '60 een grote vraag naar nieuwe orgels. In de periode t/m 1869 worden minimaal 21 nieuwe orgels gebouwd. In de jaren '70 neemt die vraag weer af (16 orgels, 9 orgels in de jaren '80). Vanaf de jaren '80 van de 19e eeuw neemt landelijk de vraag naar nieuwe orgels af.

Het topjaar is 1866, waarin 4 nieuwe orgels van de firma Flaes & Brünjes in gebruik worden genomen! Juist in dat jaar, op 18 juni 1866, overlijdt Pieter's vrouw op 56-jarige leeftijd. Aan 23 jaar huwelijk komt een eind. Pieter blijft met zijn 21-jarige dochter en een dienstbode alleen achter in hun woonhuis aan de Nieuwezijds Voorburgwal 198.

Als in 1861 in de Hervormde kerk van Andijk een orgel met 8 stemmen, verdeeld over 2 klavieren, in gebruik wordt genomen, wordt dit het eerste standaardinstrument. Standaard wat betreft front, dispositie en technische aanleg. 

Front
Het front dat Flaes & Brünjes vanaf het eerste orgel in Wormerveer toepast, en vermoedelijk zelfs ook al voor een 18e-eeuws kabinetorgel in het Hervormd diaconieweeshuis in Amsterdam in 1847, bestaat uit drie ronde middentorens, met daartussen twee vlakke, ongedeelde velden. Inspiratie is ongetwijfeld het orgel van leermeester J. Bätz & Co voor de Nieuwe Kerk in Delft geweest, waar Pieter Flaes en Georg Diedrich Brünjes in 1840 aan meegebouwd hebben.

Delft, Nieuwe Kerk (1840)

Vanaf 1865 zien we een variant op dit fronttype. De middenvelden zijn daarbij horizontaal gedeeld en de afwerking aan de bovenkant niet met een lijst maar met snijwerk. De labiumlijnen van de frontpijpen in de drie torens lopen dan naar buiten op.

Het standaardfront is duidelijk het meest toegepast (ongeveer 60% van alle nieuw gebouwde orgels), de variant is maar zes keer toegepast (ca. 12,5%).

 

 
Boven: Voorbeeld van het standaardfront met ongedeelde tussenvelden (Gouderak, 1888).
Onder: de variant op het standaardfront (Schellinkhout, 1872).

Kerkbesturen kunnen kiezen tussen verschillende fronttekeningen, in de bestekken en correspondentie aangeduid met een letter. Soms is er wel sprake van 7 tekeningen (A t/m G)! Ik heb in vrijwel geen enkel geval deze tekeningen teruggevonden. Logisch, Flaes zag ze graag terug om te kunnen hergebruiken! Dat wordt in brieven ook letterlijk gezegd. De verschillen tussen de fronten betreffen niet alleen de twee bovengenoemde fronttypen an sich, maar met name ook de versiering: vazen op de zijtorens en een trofee op de middentoren (en welke variant van de trofee, vergelijk Koog a/d Zaan en Zaandam maar eens), of liever bazuinblazende engelen op de zijtorens en een harpspelende koning David op de middentoren? Ah, de kerkvoogden van Ouderkerk aan de Amstel wensen bolvormige versieringen? Dat kan natuurlijk ook (1865). Zelfs geen versieringen is een optie, wanneer men dat bijvoorbeeld door een plaatselijke beeldhouwer wil laten doen. Aan de zijkanten van de orgelkas geen vleugelstukken of juist wel (bijvoorbeeld Zonnemaire 1872, Purmer, 1873). Een in de orgelkas doorlopende orgelbalustrade met rasteropeningen zoals in Westzaan (1866), Koog a/d Zaan (1870) en Zaandijk (1880) of toch maar niet? Opdrachtgevers kunnen probleemloos varianten van tekeningen combineren. Zo kiezen de regenten van het Luthers Weeshuis "De Wittenberg" in 1872 voor de orgelkas van tekening G en de bekroning van tekening D.

Orgel van Flaes te Zaandijk (1880) met bazuinblazende engelen en een harpspelende Koning David. Collectie Gemeentearchief Zaanstad.

De trofee op de middentoren van het Flaes & Brünjes-orgel in de Grote Kerk in Westzaan (1866).


In de Doopsgezinde Kerk van Den Burg staat een Flaes-orgel uit 1876. Het plafond van de kerk is later verlaagd, waardoor de vaas op de middentoren niet meer paste. Deze is op een kast gezet...

Dispositie
Van de circa 50 nieuwgebouwde orgels hebben er 29 een standaarddispositie. De hoeveelheid stemmen varieert van 8 tot 14. Weliswaar is er bij deze standaarddispositie altijd sprake van een verdeling van de stemmen over twee klavieren (zodat op Manuaal I de begeleiding van de psalmen en gezangen kan plaatsvinden en op Manuaal II de zachte interludia gespeeld kunnen worden), het pijpwerk van beide klavieren staat wel op één gecombineerde windlade (met de bas van de Bourdon 16vt op een aparte lade hier dwars op vanaf 1865).

De standaarddispositie luidt:
Manuaal I: Prestant 8vt, Octaaf 4vt, Quint 3vt, Octaaf 2vt, Cornet IV sterk disc
Manuaal II: Salicionaal 8vt (groot octaaf in de Holpijp 8vt), Holpijp 8vt, Roerfluit 4vt
Pedaal: Aangehangen aan Manuaal I

Voorbeelden hiervan zijn de orgels van de Doopsgezinde kerk van Den Helder (1863) en de hervormde kerken van Kwadijk (1866), Beets (1868) en Noordwelle (1868).

Het Flaes & Brünjes-orgel in Beets (1868).

Deze basisdispositie breidt de firma Flaes & Brünjes slim uit met een vrijwel altijd vaste volgorde, wanneer een groter orgel nodig is: 

Aantal stemmen

Registers

Voorbeelden

10

Manuaal I: + Bourdon 16vt en Mixtuur III sterk bas

Willemstad (Curaçao) (1866), Beverwijk, Evangelisch Lutherse Kerk (1875), Tricht, Hervormde Kerk (1887)

11

Manuaal II: + Viola di Gamba 8vt*

Heerjansdam, Hervormde kerk (1869), Den Burgh, Doopsgezinde Kerk (1876), Limmen, Hervormde Kerk (1876)

12

Manuaal I: + Trompet 8vt + Mixtuur III sterk discant (daarmee de Mixtuur bas completerend, soms door 2 registertrekkers te delen in bas- en discant)**

Hazerswoude-Dorp (1868), Schellinkhout, Hervormde Kerk (1872), Zonnemaire, Hervormde Kerk (1872).

13

Manuaal II: + Prestant 8vt***

Koog aan de Zaan, Doopsgezinde Kerk (1870), Purmer, Hervormde Kerk (1873)

14

Manuaal I: + Roerfluit 8vt

Zaandijk, Hervormde Kerk (1880)

Kerkbesturen krijgen dus vaak een voorstel voor een orgel met een bepaald aantal stemmen, waarbij in de aanbieding ook één of twee grotere varianten worden genoemd, met bijbehorende prijs. Zulke aanbiedingen kwam ik onder meer tegen in de kerkarchieven van de hervormde gemeente Noordwelle en de Doopsgezinde gemeente Barsingerhorn/De Kreil (in beide gevallen een keuze tussen 8 of 10 stemmen) en de Remonstrantse kerk in Gouda (keuze voor orgels van 10, 11 of 12 stemmen).

Deel van de aanbiedingsbrief van P. Flaes voor de Remonstrantse gemeente te Gouda, waarin diverse (standaard)disposities worden voorgesteld. 

Een standaarddispositie hoeft overigens niet altijd hand in hand te gaan met een standaardfront: zo zijn er grotere orgels met een standaardfront (bijvoorbeeld de Oostzijderkerk in Zaandam, II/P/21), maar daarentegen krijgt het orgel voor de Remonstrantse kerk in Gouda (1871) wel een (variant op) de standaarddispositie, maar geen standaardfront: omdat het kerkgebouw in een neorenaissance stijl is gebouwd, is het orgelfront neogotisch.

Overzicht van aantal standaard-instrumenten met aantal stemmen

Aantal instrumenten

Aantal stemmen

8

8

10

10

3

11

3

12

4

13

1

14

29 totaal

 


Eén ultiem voorbeeld van standaardisatie betreft de Doopsgezinde gemeente Barsingerhorn/De Kreil. Deze gemeente bezit twee kerkgebouwen en bestelt voor beide kerken exact hetzelfde orgel. Flaes hoeft maar 1 contract op te stellen met 1 totaalprijs (er is geen sprake van de 2e voor de halve prijs...) en de orgels kunnen in serie worden vervaardigd.
Eerste pagina uit het contract voor de twee orgels van de Doopsgezinde gemeente Barsingerhorn/De Kreil.

Bij een orgel met een grotere dispositie dan 14 stemmen is het pijpwerk niet meer op een gecombineerde windlade geplaatst, maar is er sprake van een verdeling tussen hoofdwerk en bovenwerk. Dat is bij 9 orgels het geval. Interessant is wel dat daarbij te allen tijde de 14 "basisstemmen" aanwezig zijn. Zo is dus bij het eerste orgel in 1855 in Wormerveer (2/ap/15) al de basisdispositie + 1 extra stem aanwezig. Heeft Pieter Flaes toen al het plan tot standaarddisposities gehad?

Behalve deze 9 grotere orgels, zijn er nog minimaal 6 kleine orgels gebouwd die beslist geen standaardinstrument genoemd kunnen worden: twee opvallende tweeklaviers instrumentjes waarover ik later meer hoop te kunnen vertellen en 4 orgels met slechts één klavier (Amsterdam Hervormd diaconieweeshuis 1858, de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk in Medemblik 1880, vermoedelijk de Hervormde kerk van vermoedelijk Aarlanderveen (nu Hiaure) en de Doopsgezinde kerk in Middenbeemster, beide in 1887).

Techniek
Als derde zien we in de technische aanleg ook een vergaande standaardisatie. De bestekken van de orgels zijn heel sterk vergelijkbaar als het gaat om de gebruikte houtsoorten. We zien verder altijd een klavieromvang van C-f3. De orgels t/m 14 stemmen hebben t/m 1882 altijd een pedaalomvang van C-c1 (de grotere instrumenten hebben sinds 1855 al 2 toetsen extra); vanaf 1883 krijgen alle instrumenten van Flaes een pedaalomvang van C-d1). Ook de volgorde van het pijpwerk op de windlade en de aanleg van de Bourdon-baslade (beide onderwerpen vragen eens een aparte blog) is volgens vaste patronen.

Pijpwerk van het orgel op een gecombineerde windlade in Kwadijk (1866). Links het front, op de voorgrond de registermechanieken.

Maatwerk
Echter er zijn wel detailafwijkingen. 
Hoewel de hoogte/breedte-verhoudingen van de orgelkassen wel vergelijkbaar is, levert Flaes & Brünjes voor het ene kerkgebouw een grotere orgelkas dan voor het andere. Logisch dat je in Zaandam (1863) en Sint Maartensdijk (1882) niet zo'n kleine orgelkas moet neerzetten als in Den Burg (1867) en Gouderak (1888).
Incidenteel is de hoogte/breedte-verhouding gewijzigd. Ik noem in dat verband de Hervormde Kerk van Barsingerhorn (1867, nu te Oud-Loosdrecht): een hogere orgelkas.

Als een orgelkas wat ruimer bemeten is, bevindt het windkanaal naar de Bourdon-baslade bijvoorbeeld net op een iets andere plek, en ook de afsluiter in dat windkanaal. Bij een grotere orgelkas en dus een groter front kunnen van de Salicionaal 8vt van Manuaal II de 9 grootste pijpen in het front worden geplaatst. Mits geld geen probleem is (meer materiaalkosten voor hout en langere frontpijpen). Voorbeelden zijn de orgels van Wormerveer (1855), Zaandam (1863), Ouderkerk a/d Amstel (1865) en Driebergen (1881).

Is de hoogte van de kerkruimte juist beperkt? Dan spreken de 9 grootste pijpen in de Holpijp 8vt maar de daaropvolgende 7 pijpen zijn van de windlade afgeleid, zodat ze iets lager geplaatst kunnen worden (De Kreil, 1871, nu Waverveen).

Wil de orgeladviseur en/of plaatselijke organist heel graag een afwijking op de dispositie? Bijvoorbeeld een Trompet 8vt, terwijl dat voor de kerkruimte niet perse hoeft (en Flaes daar ook geen fan van is, getuige ingekomen brieven van en over hem in Barsingerhorn in 1867 en Gouderak in 1887)? Of een 2vt op Manuaal II, wat de kerkvoogden van Uitgeest in "De Schermer" (vermoedelijk het Naber-orgel uit 1863 in Stompetoren) zo'n mooi register vonden. Dan gaat Flaes daar (tot op zekere hoogte!) in mee. 

De speeltafel van het Flaes-orgel (1869) in Uitgeest. Helemaal links zit de registertrekker van de Woudfluit 2vt van Manuaal II.

Last but no least: is het kerkgebouw in een neorenaissance- of neogotische stijl (respectievelijk Gouda, Remonstrantse Kerk en Den Haag, Duits-Evangelisch Lutherse Kerk)? Dan zeker geen standaardfront maar een front dat aansluit op de stijl van het kerkgebouw! En moet er gewerkt worden met een bestaande orgelkas en/of bestaand front, al dan niet met een standaarddispositie? Dan draait ook daar Flaes zijn hand niet voor om (Amsterdam, Remonstrantse Kerk 1862; Alkmaar, Doopsgezinde Kerk 1867; Amsterdam, Engelse Kerk op het Begijnhof 1875).

Het neogotische front van het orgel in de Remonstrantse Kerk in Gouda (1871). © Collectie Streekarchief Midden Holland.

Levertijden
Het is wellicht door deze verregaande standaardisatie dat Flaes & Brünjes snel nieuwe orgels kan leveren. De gemiddelde levertijd is aanvankelijk circa 1,5 jaar, maar juist in de drukke jaren '60 wordt dit teruggebracht tot gemiddeld 1 jaar, waarbij er zelfs regelmatig sprake is van oplevering in 6 á 7 maanden! De Lutherse Kerk in Beverwijk breekt het record door in twee maanden na bestelling het instrument al op 17 oktober 1875 in gebruik te kunnen nemen. Het kán niet anders of dit orgel staat zelfs al goeddeels klaar in de werkplaats, in die tijd aan de Singel 219 te Amsterdam. Helaas is het contract van het Beverwijkse orgel niet bewaard gebleven, wat uitsluitsel zou kunnen geven. Wel dat van Tricht (1887), waar in het contract daadwerkelijk sprake is van een al speelklaar orgel. Maar ook dat is een keer een verhaal apart.

Het orgel van de Lutherse Kerk in Beverwijk wordt in augustus 1875 besteld; reeds in oktober volgt de ingebruikname!

Uniek
Ook bij collega-orgelbouwers als H. Knipscheer jr. en L. van Dam & Zonen komen we standaardisatie in fronten en disposities tegen. Echter niet zo verregaand. Flaes & Brünjes durf ik te typeren als de eerste catalogus-orgelbouwers in Nederland, een concept dat in de 20e eeuw veel vaker voorkomt, maar wat dan nogal eens ten koste gaat van de kwaliteit.  

Kracht
De kracht van het orgelbouwbedrijf is dus, dat hoogstwaarschijnlijk door de standaardisatie snel geleverd kan worden. Maar deze standaardisatie is niet in beton gegoten. Als de ruimte en/of de opdrachtgever om aanpassingen vraagt, dan gebeurt dat.
Bovendien weet Pieter Flaes, die ook in de jaren van het compagnonschap altijd de gesprekken met de kerkbesturen voert en naast zijn medewerkers zelf in het orgelbouwbedrijf meewerkt, alle orgels muzikaal te intoneren, goed afgestemd op de ruimte waar ze staan. Het ultieme bewijs van een meesterbouwer, die ambachtelijk werk weet te combineren met een slimme aanpak.

zaterdag 29 april 2023

Een goede bekende van Pieter Flaes: de beroemde organist Johan Albert van Eyken (1823-1868)



Vandaag, 29 april 2023 is het 200 jaar geleden dat in Amersfoort Johan Albert van Eyken wordt geboren als zoon van de organist van de Grote- of Sint Joriskerk. Hij gaat in Duitsland orgel studeren aan het conservatorium van Leipzig. Hij leert in Duitsland de beroemde componist en organist Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) kennen. In 1848 keert Van Eyken terug naar Nederland.

J.A. van Eyken (1823-1868)

Daar wordt op dat moment een organist gezocht voor de Remonstrantse Kerk aan de Keizersgracht 102 in Amsterdam.



Uitnodiging tot proefspel op 18 april 1848 voor de functie van organist van de Remonstrantse Kerk Amsterdam. Eén van de 35 (!) sollicitanten is Van Eyken.

Dit is de kerk waar Pieter Flaes sinds 6 jaar lid van is. Hij is per 1 januari 1842 met Georg Diedrich Brünjes een orgel- en pianobouwbedrijf begonnen. Zijn oom is predikant van deze remonstrantse kerk, en in 1843 is Flaes getrouwd met zijn nichtje, de domineesdochter. Per 1844 heeft de firma Flaes & Brünjes het orgel van de Remonstrantse Kerk in onderhoud gekregen. Het vroeg 18e-eeuwse Weidtmann/Müller-orgel is in die tijd bespeeld door George Lodewijk Huisker. Nadat die in 1848 overlijdt, komt er een vacature. Er zijn wel 35 sollicitanten, waaronder Johan Albert van Eyken. Laatstgenoemde wordt benoemd. Hij betrekt een woning aan de Keizersgracht 520.

Het orgel in de Remonstrantse Kerk "De Rode Hoed" te Amsterdam. Hier is Flaes lid vanaf 1842 tot zijn overlijden in 1889. Van Eyken is hier organist van 1848 tot 1853.

Gedurende 5 jaar zal Van Eyken het orgel bespelen. In die tijd zal Pieter Flaes hem vaak hebben horen spelen, en ook hebben gesproken over de slechte staat waarin het orgel verkeert, ondanks herstellingen door Flaes & Brünjes in 1844. 

Gedeelte uit het contract, in voorjaar 1844 opgesteld door de firma Flaes & Brünjes, tot herstel van het orgel in de Remonstrantse Kerk.

Samen met Johannes G. Bastiaans (1812-1875), organist van de Zuiderkerk, probeert Van Eyken in Amsterdam een Bachvereniging op te richten. Die moet al weer vlug worden opgeheven.

In Flaes' tijd werkt Van Eyken aan een koraalboek met voorspelen bij de 150 psalmen. Het wordt in 1853 uitgegeven. Wellicht zijn de nodige composities ontstaan achter de speeltafel in de Remonstrantse Kerk.


Ik zag een opmerkelijke notitie bij psalm 83, toen ik het koraalboek van Van Eyken bij Museum Martena in Franeker aantrof. Het koraalboek stond overigens opengeslagen op een harmonium en museumbezoekers werden van harte uitgenodigd te spelen.


Detail van de fraaie orgelkas. Sinds de vernieuwing van het orgel in 1862 door Flaes & Brünjes is het rugwerk loos.


Datzelfde jaar krijgt Van Eyken een benoeming als organist van de Zuiderkerk in Rotterdam. In de Maasstad richt hij een conservatorium op. Een jaar later vertrekt hij naar Duitsland. Hij wordt een beroemd organist.

In de Remonstrantse Kerk van Amsterdam volgt tijdelijk zijn broer Gerrit Jan van Eyken jr. (1832-1879) hem op, tot in 1854 de 25-jarige Simon Reinier de Vries (1828-1916) organist van de Remonstrantse Kerk van Amsterdam wordt. Die heeft overigens in 1848 ook al gesolliciteerd. De Vries zal 46 jaar lang het orgel bespelen. In zijn tijd, in 1862, bouwt de firma Flaes & Brünjes een nieuw orgel in de historische kas van Weidtmann/Müller. Het wordt met 23 stemmen hun grootste opus. Organist De Vries is erg lovend over het orgel, desondanks is het begin 20e eeuw door de firma Adema grotendeels vernieuwd.

In 1862 heeft de firma Flaes & Brünjes het binnenwerk van het orgel vernieuwd. De huidige klavieren en bakstukken dateren uit die tijd. In 1909 volgde een vernieuwing door P.J. Adema. De registertrekkers zijn van laatstgenoemde. 

In 1909 is het pijpwerk op dezelfde manier geplaatst als in 1862 door Flaes & Brünjes. Op de voorgrond het pedaalpijpwerk, daarachter (direct achter het front) het pijpwerk van het hoofdwerk. Achter de rug van de fotograaf het pijpwerk van het tweede klavier. Alle windladen zijn gesplitst in c- en ciskant. Ook dat had Flaes in 1862 al gedaan.

Tijdens de lezing over het leven en werk van de orgelbouwers Flaes en Brünjes, die op 12 mei a.s. in de Oostzijderkerk te Zaandam plaatsvindt (https://www.oostzijderkerkzaandam.nl/activiteiten/), speel ik 2 composities van Van Eyken: de koraalbewerking "Nun ruhen alle Wälder" en een variatie en koraal op het oud-Nederlandse volkslied "Wien Neêrlands bloed". Van harte welkom!

vrijdag 24 februari 2023

Lezing op 12 mei 2023 in de Oostzijderkerk in Zaandam

Op vrijdagavond 12 mei 2023 geeft Jan van der Male een lezing in de Oostzijderkerk in Zaandam.

Op deze dag is het 211 jaar geleden dat orgelbouwer Pieter Flaes (1812-1889) werd geboren. In deze lezing, getiteld "Klassiek ambachtelijk werk en innovatie", worden de eerste resultaten van het onderzoek naar het leven en werk van het 19e-eeuwse orgel- en pianobouwersbedrijf Flaes & Brünjes gepresenteerd.

De vragen die deze avond aan de orde komen, zijn:

  • Wie waren de gezichten achter het bedrijf? Zowel de leidinggevenden als hun knechten?
  • Hoe kreeg het bedrijf voet aan de grond als zelfstandig bedrijf?
  • Waarom nam de orgelbouw zo'n hoge vlucht? Wat waren de succesfactoren?
  • Hoe ging de bedrijfsovername van de pianoafdeling en orgelbouwafdeling na het overlijden van respectievelijk Brünjes en Flaes?
Deze lezing wordt afgewisseld met korte orgelbespelingen op het Flaes & Brünjes-orgel (1863) van de Oostzijderkerk. In deze bespelingen klinken composities van organisten die Pieter Flaes goed gekend hebben, zoals J.A. van Eyken (1823-1868), Eelke Mobach (1836-1898) en Samuel de Lange jr. (1840-1911).

Na afloop is er volop gelegenheid tot ontmoeting en gesprek, onder het genot van een drankje.

Van harte welkom.

Oostzijderkerk Zaandam
Zuiddijk 1
1501 CA Zaandam
Aanvang: 20.00u
Toegang: €10,-.
De opbrengst is voor de herstelkosten voor het Flaes & Brünjes-orgel (50%) en ten behoeve van het onderzoek naar de firma Flaes & Brünjes (50%).   





                        

vrijdag 17 februari 2023

Eerste kennismaking met Flaes & Brünjes blijkt markant instrument

Geboren en getogen in Zeeland, was het daar niet bepaald Flaes & Brünjes wat de klok sloeg op orgelgebied. Op de Zeeuwse eilanden zijn slechts 4 instrumenten van de Amsterdamse firma terecht gekomen. Drie oorspronkelijk gebouwd (Noordwelle 1868; Zonnemaire 1872; Sint Maartensdijk 1882). 

Het eerste orgel van Flaes & Brünjes waar ik in mijn leven kennis mee maakte, is dat in de Vredeskerk in Goes. Dat was in mijn tienerjaren, toen de kerk nog Oosterkerk heette. De middelbare school was vlakbij en in een tussenuur of na schooltijd speelde ik er met een schoolvriend af en toe: hij klarinet, ik orgel.

Het Flaes & Brünjes-orgel in de Oosterkerk in Goes (2006), nu Vredeskerk genoemd.

Eerlijk is eerlijk, het instrument kon me niet enorm bekoren. Achteraf bezien is het ook niet meer representatief voor het werk van Flaes & Brünjes. Daar kwam ik achter toen ik, al wel geïnteresseerd in de historie van dit orgel, in tijdschrift De Mixtuur het artikel van Gerard Verloop las, waar dit orgel wordt besproken. Bij de plaatsing in Goes door de firma Bik zijn de oorspronkelijke kas en het front verloren gegaan. Ook het pijpwerk is ingrijpend aangepast, waardoor een heel ander klankbeeld is ontstaan. 

Desondanks: mijn eerste herinnering aan de firma Flaes & Brünjes, een jaar of 17 geleden, betreft achteraf gezien wel een zeer interessant orgel uit hun oeuvre. Daar kwam ik recent achter.

In het voorjaar van 1864 dient Pieter Flaes een bestek en voorwaarden in voor de bouw van een orgel voor de Oudezijdskapel in Amsterdam, op een steenworp afstand van de werkplaats aan de Warmoesstraat 118. Het is de periode waarin de vraag naar nieuwe orgels de pan uit rijst; in 1855 is het eerste nieuwe instrument opgeleverd, in 1858 het tweede, maar sinds 1861 is er minimaal 1 nieuw orgel per jaar en het voorgaande jaar 1863 waren er zelfs twee ingebruiknames (Zaandam, Oostzijderkerk; Den Helder, Doopsgezinde Kerk). Voor Flaes echter geen reden om niet in te schrijven, integendeel. De firma's Bätz & Co en Ter Hart zijn ook om een offerte gevraagd, maar eerstgenoemde blijkt duurder en een langere levertijd te hanteren, Ter Hart acht deze klus te hoog gegrepen en houdt het bij de bouw van kleinere orgels. Vervolgens wordt "Na deliberatie besloten met de HH Flaes en Brünjes in nadere onderhandeling te treden..." en kort erop moet het contract zijn ondertekend. Het wordt een orgel met 17 stemmen, verdeeld over hoofdwerk en bovenwerk. Dat is iets groter dan de meeste Flaes & Brünjes-orgels (die qua aantal registers variëren van 8-13 stemmen, op één gecombineerde windlade).

De Oudezijdskapel.

Reeds na een jaar, op 11 juni 1865 wordt het orgel in gebruik genomen. Een paar maanden tevoren is een orgel in Wormer gereed gekomen, in december komt een fors orgel in Ouderkerk aan de Amstel klaar. 

Ondanks dat in het jaar 1865 drie en in het topjaar 1866 zelfs vier nieuwe orgels worden opgeleverd, kunnen Flaes & Brünjes dus steeds een levertijd van ongeveer een jaar garanderen (en bij kleinere instrumenten zelfs nog korter)! Ik kom op die levertijden nog wel eens terug.

Waarom noem ik het Flaes & Brünjes-orgel voor de Oudezijdskapel, nu in Goes, zo interessant? Daarvoor zijn vijf redenen:

1. Allereerst is dit het eerste orgel waarbij Flaes & Brünjes de Bourdon 16vt van het hoofdmanuaal als transmissie bespeelbaar maken op het pedaal. Van 't Kruys' dispositieverzameling zegt: "Bourdon 16 van het Manuaal spreekt vrij op het pedaal". Daarvoor wordt het baspijpwerk van de Bourdon 16vt op een aparte lade geplaatst, dwars op de hoofdwerkwindlade, vanaf de speeltafel gezien aan de tegenoverliggende zijde van de orgelkas. Bij alle toekomstige orgels met een Bourdon 16vt op het manuaal, ook als er geen transmissie voor het pedaal komt, zal zo'n aparte Bourdon-baslade worden gemaakt. Het voorkomt dat de grote houten pijpen van de Bourdon 16vt op de hoofdwerk- of manuaallade staan en de klankuitstraling van het overige pijpwerk belemmeren (ga maar eens in Wormer kijken, het orgel vóór de Oudezijdskapel, waar dat wel het geval is).

Het orgel van de Lutherse Kerk in Beverwijk (1875). Links het baspijpwerk van de Bourdon 16vt op een aparte lade, dwars op de manuaallade (rechts). 

2. De dispositie vertoont een paar opvallendheden in het ouevre van Flaes (& Brünjes):

a): er komt geen Cornet, hoewel er wel een plaats voor op de windlade blijft gereserveerd (vrij kort geleden in Goes alsnog opgevuld!) Ik weet eigenlijk 1 ander van de vermoedelijk 49 nieuwe orgels, die niet zo'n "zangleider" had: de Doopsgezinde kerk in Medemblik (1880) (met die kanttekening dat van 3 orgels de oorspronkelijke dispositie niet bekend is: een onbekend orgel in 1864, het orgel voor Noord-Scharwoude en het orgel dat nu in Reek staat).
b). Daarentegen krijgt het hoofdwerk wél een Terts 1 3/5. Die vulstem is verder voor zover bekend alleen maar op het kleine eenklaviers orgel van Medemblik (1880) gedisponeerd.
c). Op het bovenwerk komt een Quintadeen 8vt. Spijtig genoeg is die bij de overplaatsing naar Goes verwijderd. Zodoende kun je vandaag de dag alleen nog maar een Flaes-Quintadeen beluisteren in de Duits-Evangelische Kerk in Den Haag, daterend uit 1871.
d). Er komt een koppel van het pedaal naar het bovenwerk. Voor zover bekend alle andere orgels hebben een pedaal dat permanent is aangehangen aan het hoofdmanuaal of hebben uitsluitend een koppel van het pedaal naar het hoofdmanuaal. Spijtig genoeg zijn de mechanieken bij de overplaatsing naar Goes vernieuwd en de koppels uitgevoerd als voetkoppel, zodat dit unicum van Flaes en Brünjes verloren is gegaan.

De speeltafel, met nog oorspronkelijke klavieren en registertrekkers.

De registertrekkers van Flaes & Brünjes uit 1865. De oorspronkelijke registerschildjes zijn verloren gegaan. 

3. Klassiek maken orgelbouwers de koppen en stevels van de tongwerken van hout. Om daarop een metalen tongwerkbeker te maken, is bewerkelijk. Daarom gaan orgelbouwers ook de koppen en stevels van een metaalsoort vervaardigen. Bij het orgel voor de Remonstrantse kerk in Amsterdam (1862 gereed) wordt in het contract al gesproken over "De koppen en stevels van maghoniehout (sic) of van metaal." Omdat de tongwerken in 1909 zijn vervangen, weten we niet of deze tongwerken nog op de klassieke of moderne manier zijn gemaakt. De navolgende orgels met tongwerken Zaandam (1863) en de Remonstrantse Kerk in Den Haag (1864) hebben in elk geval nog traditionele houten koppen en stevels. Zodoende acht ik het orgel van de Oudezijdskapel het eerste waarbij de tongwerken een metalen stevel kregen en een loden kop, in dit geval een Trompet 8vt op het hoofdwerk en een Dulciaan 8vt op het bovenwerk. De stevels zijn voorzien van messing ringen om het wijder worden van de stevels tegen te gaan. Bij alle navolgende Flaes-orgels zijn de tongwerken van deze materiaalsoorten vervaardigd.

De houten stevels en koppen van de Trompet 8vt van het orgel in de Oostzijderkerk in Zaandam (1863)

De metalen stevels en loden koppen van de Dulciaan 8vt van het orgel in de Duits Evangelische Kerk in Den Haag (1871).

Overigens houdt Flaes helemaal niet van tongwerken, zo blijkt bij de orgels van Hervormd Barsingerhorn ("...en ofschoon de Hr Flaes er altijd veel bezwaren in ziet, vooral op dorpen, ik niet" aldus adviseur Jacob Kwast in februari 1866) en te Gouderak waar Flaes in 1887 schrijft "... en een trompet die zij niet stemmen kunnen en toch gebruiken is een waar verdriet voor enkele die gehoor hebben en het toch moeten verdragen."

4. De mensuur van het pijpwerk krijgt Flaes bij dit orgel opgegeven van orgeltoezichthouder J.D. Brachthuizer. In tegenstelling tot Flaes' eerdere orgels krijgt het pijpwerk van de fluitregisters in de discant een wijder diameterverloop, wat resulteert in een meer grondtonige klank. Het orgel voor Ouderkerk aan de Amstel zal nog volgens de oude mensuren worden gemaakt, maar blijkbaar bevalt het klankbeeld Flaes, want al zijn navolgende orgels krijgen deze meer grondtonige klank in de fluitregisters. 

5. Tot en met het orgel dat begin 1865 in Wormer in gebruik wordt genomen, komt boven de klavieren de naam van de firma Flaes & Brünjes en hun vestigingsplaats Amsterdam. Vanaf het orgel van de Oudezijdskapel wordt tussen beide klavieren het jaartal van ingebruikname genoteerd. Wist u trouwens dat het orgel voor de Doopsgezinde Kerk in De Kreil, nu in Waverveen te vinden, als jaartal 1871 heeft staan, terwijl het pas in maart 1872 in gebruik is genomen? De reden daarvan vertel ik nog wel eens :-). U vraagt dan misschien waar Flaes het jaartal aanbrengt als hij een eenklaviers orgel oplevert? Wel, na 1865 zijn dat er voor zover bekend maar drie, waarvan er twee nog bestaan: Middenbeemster en Hiaure. Beide orgels, opgeleverd in 1887, hebben helemaal geen naamsvermelding bij het klavier, laat staan het jaartal van ingebruikname! Maar dat zijn dan ook twee orgels waar nog heel veel raadsels rondom zijn...

De eerste keer dat Flaes & Brünjes een jaartal van ingebruikname op hun orgel aanbrengen: de klaviatuur van het orgel van de Oudezijdskapel in Amsterdam, nu Vredeskerk in Goes

Waarom is het orgel van de Oudezijdskapel in Amsterdam, hoogstwaarschijnlijk het 10e opus, op 5 punten zo markant? Immers, daarna is er in de productie nooit meer zo'n bouwwijziging geweest. Een goede verklaring daarvoor kan ik vooralsnog niet geven, of het moet zijn dat het instrument is gebouwd onder toezicht van J.D. Brachthuizer (1804-1883), toezichthouder op de orgels van de Hervormde gemeente Amsterdam. Hoewel al eerder orgels van Flaes & Brünjes onder toezicht van een deskundige waren gebouwd (Wormerveer: Jacob Kwast; Zaandam, J.G. Bastiaans), was in elk geval Brachthuizer een man met een duidelijke visie op orgelbouw en het gebruik van instrumenten. Daarvan getuigt onder meer zijn bemoeienis nadat Georg H.W. Quellhorst (1812-1868) het nieuwe orgel in de Hervormde kerk van Krommenie laat mislukken. De firma Flaes en Brünjes mag het in de periode 1843-1844 voltooien naar concept van Quellhorst, onder deskundig toeziend oog van Brachthuizer. Hij gaf in elk geval de mensuur van het pijpwerk op, zo schrijft hij in zijn jaarverslag over 1865, waarin hij  het "vol rond en statig geluid" van het volle werk en "zachte en lieflyke registers" noemt en de dispositie omschrijft als "doelmatig". Deze gedachte wordt versterkt door het feit dat Brachthuizer ook betrokken was bij het orgel voor de kerk van Medemblik (1880), een afwijkend instrument met een Terts in plaats van Cornet. 

Als eerste organist wordt benoemd Coenraad Anthonie Knipscheer (1836-1899) benoemd, de 4e zoon van orgelbouwer Hermanus Knipscheer jr (1802-1874), de concurrent van Flaes & Brünjes, vlakbij gevestigd aan Warmoesstraat 165.

Het markante orgel van de Oudezijdskapel zal rond 1900 door Brachthuizer's opvolger J.A. Gullen (1838-1920) zelfs een van de mooiste orgels van Hervormd Amsterdam worden genoemd. Wetend dat Gullen een zeer kritisch persoon was, zegt dat nogal wat!

Het kerkbezoek in het centrum van Amsterdam werd begin 20e eeuw al minder. In 1912 werd de kerk buiten gebruik gesteld. Het orgel kreeg in 1917 een plaats in de Overtoomkerk. 

De Overtoomkerk, Overtoom 543 te Amsterdam. 
Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Ook die kerk raakte buiten gebruik, na de Tweede Wereldoorlog. In 1956 kocht de Gereformeerde Kerk in Goes het instrument aan, en Bik plaatste het over, onder advies van Mr. A. Bouman. Dat men een degelijk ambachtelijk gebouwd orgel uit de 19e eeuw zo'n 50 jaar terug, niet goed op waarde wist te schatten, hoef ik verder niet uit te leggen. Lambert Erné zei van dit orgel, terwijl het in opslag lag: "de klank van het orgel kan gezien de mensuratie en dispositie niet anders dan grof zijn, waarbij alle helderheid die nodig is voor de begeleiding van de gemeentezang, ontbreekt.". Reden voor ingrijpende intonatiewijzigingen.

Anderzijds mogen we blij zijn dát veel van dit markante orgel wel bewaard is gebleven. En wie weet kan het ooit nog eens komen van een reconstructie van klankbeeld en front...

Van het Flaes & Brünjes-orgel in de Oudezijdskapel in Amsterdam bestaan geen foto's. Wel van de situatie in de Overtoomkerk (1917-1956). 
Collectie G. Verloop.

Flaes & Brünjes-klanken uit de Schatkamer

Recent heeft Beeld & Geluid een grote hoeveelheid video- en audioopnamen uit haar archief online beschikbaar gesteld. Een fantastische b...