woensdag 24 december 2025

Flaes in De Kloof

Recent is het Strümphler-orgel in de Grote- of Eusebiuskerk in Arnhem na een grote restauratie opnieuw in gebruik genomen. Met reconstructie van de windvoorziening klinkt het laat 18e-eeuwse instrument weer zoals het Pieter Flaes het ook gehoord moet hebben, maar dan in een veel kleinere kerkruimte. Het instrument stond namelijk in zijn tijd in de kerk van de Hersteld Evangelisch-Lutherse gemeente aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam. Recent had ik gelegenheid om het instrument grondig te bekijken, waarbij ik ook materiaal van Flaes aantrof.

Vanaf voorjaar 1882 heeft de firma Flaes dit instrument in onderhoud gekregen. Een mooie uitbreiding van Flaes' takenpakket want het is met zo'n 50 stemmen een groot orgel met maar liefst 12 tongwerken! Bovendien is er al spoedig sprake van een groot herstelproject.


Het Strümphler-orgel zoals Flaes dat in de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk
aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam gezien heeft.

Al twee jaar eerder bezocht Pieter Flaes "De Kloof". Dat was op verzoek van zijn goede bekende Jan D. Brachthuizer. Die is niet alleen toezichthouder op de orgels van de Hervormde gemeente Amsterdam, maar ook op het orgel van "De Kloof". Onder Brachthuizers toezicht heeft Flaes in 1843-1844 en 1865 orgels (af)gebouwd, onderhoudt al sinds 1852 diverse orgels van Hervormd Amsterdam en juist in 1880 werken Brachthuizer en Flaes ook samen aan de bouw voor een orgel voor de Hersteld Evangelisch-Lutherse gemeente in Medemblik, wat op 18 juli 1880 in gebruik is genomen. Terwijl Flaes druk bouwt aan een nieuw orgel voor de Hervormde gemeente Driebergen, wandelt hij in december 1880 vanaf Het Singel naar de Kloveniersburgwal waar hij samen met Brachthuizer het orgel in duikt. De twee mannen zijn inmiddels ruim de tegenwoordige pensioengerechtigde leeftijd gepasseerd en hebben ruime ervaring. 

Uit hun onderzoek blijkt dat het orgel moet worden schoongemaakt, divers pijpwerk moet worden gerepareerd, klemmende stoppen van houten pijpen moeten “behoorlijk gangbaar gemaakt worden”, register- en toetstractuur moeten hersteld en lekkages aan de balgen dienen verholpen te worden. Tot slot zullen de registers “weder naar hun aard geïntoneerd” moeten worden. De grootste zestienvoets pijpen wil Flaes in de kerkruimte herstellen; ongetwijfeld biedt zijn werkplaats daarvoor niet genoeg ruimte en/of is het transport door het drukke Amsterdam erg ingewikkeld. Flaes raamt de kosten hiervan op fl 3875,-. Voor fl 870,- extra zal hij twee nieuwe windladen voor het hoofdwerk maken, met behoud van slepen, pijpstokken en roosters, “waardoor het bekende gebrek zal worden weggenomen”, daarmee het hijgen en gebrekkige stemming bedoelend. Flaes is blijkbaar in tegenstelling tot Bätz niet van mening dat de spaanbalgen de oorzaak van de instabiele wind zijn. Daarbij zal ongetwijfeld meespelen dat Brachthuizer een voorstander van spaanbalgen is. Wanneer bij de twaalf tongwerken nieuwe metalen stevels met koperen banden en loden koppen, mahoniehouten roosters en stempels worden gemaakt, komt er fl 1360,- bij. Flaes verwacht het werk in de tweede helft van 1881 te kunnen uitvoeren.

Maar daarna blijft het dus stil. De firma Knipscheer komt enkele maanden later gewoon weer voor het jaarlijkse onderhoud, tot in 1882 het onderhoud overgaat naar Flaes.

Het jaar daarop overlijdt Brachthuizer en zijn leerling, J.A. Gullen, zelf organist van het Strümphler-orgel, neemt de taak van toezichthouder over. Pas eind 1884 wordt bij de firma’s Flaes en J. Bätz & Comp. geïnformeerd naar de kosten voor reparaties. Laatstgenoemde bedankt voor het uitbrengen van een offerte. Vanwege drukte redt hij het niet het werk uit te voeren en hij beveelt Flaes aan. Die kent het orgel goed en is vlakbij gevestigd, dus zal ongetwijfeld goedkoper zijn. Flaes stuurt rond de jaarwisseling van 1884/1885 een contract toe, dat sterk lijkt op het contract dat hij vier jaar tevoren heeft opgesteld. Flaes raamt de kosten op hetzelfde bedrag als in 1881: totaal fl 4745,- en benoemt een uitvoeringstermijn van 18 maanden. Dat is opvallend lang, wellicht wil hij het werk uitvoeren in rustige perioden tussen andere werkzaamheden door?

Gullen vindt een reparatie van het Strümphler-orgel nutteloos zolang de ventilatie van het kerkgebouw niet verbetert. In de loop van 1885 is het werk toch gestart. Behalve het schoonmaken, nazien van de mechanieken, het opnieuw invoeren van de toetsen, het opnieuw beleren van de tongwerken, het verhelpen van lekkages bij de balgen en de windkanalen, heeft het manuaal (hoofdwerk) twee nieuwe windladen gekregen. Deze krijgen hogere cancellen. Dat zal nodig zijn geweest omdat in de loop van de 19e eeuw organisten graag meer 8-voets registers willen combineren en/of omdat de intonatie is gewijzigd door het aanbrengen van kernsteken. Het pijpwerk heeft daarmee meer windtoevoer nodig. Met hogere cancellen wordt daarin voorzien. Ook het pedaalklavier is niet hersteld maar uiteindelijk vernieuwd, evenals de pedaalabstracten. Tot slot hebben alle twaalf tongwerken nieuwe stemkrukken gekregen, “terwijl hiervoor met het oog op den nadeelige invloed van het gaslicht, een bijzonder soort koper gebruikt is.” Hiermee moet fosforbrons bedoeld zijn. Ook is uiteindelijk besloten tot het polijsten van de frontpijpen.

De Trompet 8vt met vermoedelijk Flaes' stemkrukken uit 1886. De voorslagen met bevestigingen zijn in 2025 gereconstrueerd.

Gullen en zijn vriend M. Boltes keuren het werk van Flaes. Hun rapport, opgesteld op 19 april 1886, kan niet positiever eindigen “Aan het slot van dit rapport kunnen wij niet nalaten een woord van lof toe te kennen aan den orgelmaker, die deze herstelling met eene zorg en liefde heeft behandeld waartoe geen contract, hoe nauuwkeurig ook, verplicht en kunnen wij naar plicht en geweten verklaren dat hij volkomen aan zijne verplichtingen heeft beantwoord, zijn werk uitstekend verricht heeft en alle aanbeveling verdient.”

Fragment uit het keuringsrapport van Gullen en Boltes

Maandagmiddag 26 april 1886 wordt het orgel opnieuw in gebruik genomen met een bespeling door Gullen.

De stemkrukken van Flaes lijken nu nog steeds in het Strümphler-orgel aanwezig. De windladen van Flaes zijn bij plaatsing in Arnhem grondig gewijzigd door Gebr. Van Vulpen. Flaes' voorslagen verdwenen, maar zijn bij de recente restauratie in 2025 weer gereconstrueerd.

Het orgel anno 2025 te Arnhem

maandag 29 september 2025

Protestants orgelmaker op rooms-katholiek werkterrein

Het onderzoek naar het 19e-eeuwse orgel- en pianomakersbedrijf Flaes & Brünjes vordert. Allereerst goed om te weten dat een eerste versie van het manuscript inmiddels geredigeerd is. De afgelopen jaren zijn er zoveel gegevens boven water gekomen, dat het aantal woorden inmiddels ver boven de 100.000 ligt, oftewel meer dan 150 pagina's platte tekst... Daar moet natuurlijk nog het nodige aan bijgeschaafd worden, om het een goed leesbaar geheel te maken. Bovendien is er in de loop van de onderzoektijd nog extra informatie op tafel gekomen en moesten inzichten worden bijgesteld. Dat leidt tot aanpassingen in de opzet van en uitspraken in het boek.
Eén van die inhoudelijke aanpassingen heeft betrekking op Flaes' klantenkring voor de orgelbouw.

Tot voor kort stelde ik dat de firma Flaes & Brünjes alleen maar voor protestantse kerkbesturen orgels heeft gebouwd, hersteld en onderhouden. Verreweg de meeste opdrachtgevers waren hervormd of doopsgezind en daarnaast nog enkele evangelisch-lutherse en remonstrantse. De één, mogelijk twee instrumenten in oud-katholieke kerken in de Zaanstreek die Flaes onderhield, leken de enige uitzondering. Orgelbouwactiviteiten bij rooms-katholieken leek voor Flaes niet te zijn weggelegd. In tegenstelling tot andere protestantse orgelbouwers als Bätz en Knipscheer, die wel af en toe nieuwe orgels voor rooms-katholieke kerken bouwden.

Maar bij nader inzien moeten we Flaes' volledige afwezigheid op rooms-katholiek grondgebied nuanceren. Recent kwamen twee rooms-katholieke kerken in zijn eigen stad Amsterdam in beeld, waar orgelbouwer Flaes gevraagd is om herstel- en verbetervoorstellen te doen.

De Mozes & Aäronkerk, in 1841 voltooid. Het Hilgers-orgel is hierheen verplaatst.
© Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Nadat in de periode 1837-1841 een grote rooms-katholieke kerk aan het Waterlooplein verrees, vandaag de dag bekend als de Mozes en Aäronkerk, werd aanvankelijk het Hilgers-orgel (1772) uit de kleine oude schuilkerk overgeplaatst. Na ruim 25 jaar was er behoefte aan verbetering of vernieuwing van dit orgel. Het kerkbestuur heeft een aantal jaren gedubd of het oude orgel hersteld zou worden, of er een nieuw orgel zou komen. Bedenk daarbij dat sinds 1866 gemengd koor en orkest geen uitvoeringen meer tijdens de eredienst mochten geven. Het orgel kreeg een belangrijker functie. Daarvoor dient het circa 100 jaar oude Hilgers-orgel aanpassingen te ondergaan. 


Het Hilgers-orgel (1774) in de voormalige Mozes & Aäronkerk.
© Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Er zijn begin 1866 rapporten gevraagd bij Van den Brink (die een grote restauratie voorstelt) en Bätz. Helaas is de inhoud van Bäts' rapport niet bekend. In oktober 1867 wordt besloten door de firma Flaes & Brünjes te laten "onderzoeken of dit Orgel, na eene doelmatige herstelling, aan de tegenwooredige vereischten zoude kunnen voldoen, en welke kosten daartoe vereischt zullen worden." Helaas wordt er in de kerkbestuurnotulen geen enkele melding gemaakt van dit onderzoek. Ook ontbreken inkomende brieven, zodat we geeneens weten of Pieter Flaes überhapt wel in de Mozes en Aäronkerk is geweest.

Pagina uit het notulenboek van de R.K. Parochie van de Mozes & Aäronkerk, 1867.

Iemand die daar overigens wel binnenkomt is de diplomaat en orgelbouwkundige Charles Marie Philbert. In 1863 stak hij de loftrompet over het Flaes & Brünjes-orgel in de Doopsgezinde Kerk in Den Helder. Maar toch heeft hij een heel grote voorliefde voor Frans-romantische orgelbouw. Een kleine twee jaar later , in de zomer van 1869, wordt "plotseling" de bouw van een nieuw orgel opgedragen aan de (rooms-katholieke) firma P.J. Adema. Deze levert in 1871 een orgel op dat volledig voldoet aan de wensen en opvattingen die Philbert al heeft geuit sinds zijn eerste stap over de drempel in de Mozes en Aäronkerk.

Twee jaar later wordt Flaes opnieuw door een Amsterdams rooms-katholiek kerkbestuur gevraagd om hun orgel te inspecteren. Het gaat om het ruim dertig jaar oude Van Dam-orgel (1826) in de Sint Catharinakerk aan het Singel 423-425. De kerk staat vlakbij Flaes' net nieuwe werkplaats aan het Singel 219. 

De Sint Catharinakerk aan het Singel te Amsterdam. 
© Collectie Stadsarchief Amsterdam.

De brief die Pieter na zijn onderzoek op 26 juli 1869 stuurt aan het parochiebestuur geeft duidelijk weer hoe opvattingen in registergebruik in nauwelijks 50 jaar tijd wijzigen van helder en boventoonrijk naar een krachtig hoofdwerk en een bovenwerk voor de zachte geluiden. “Het is bekend dat de orgels, vervaardigd door Van Dam niet uitmunten in kracht, wat ik van hem gezien heb was zwak, maar dit vooral (het orgel van de Heilige Catharinakerk, JvdM) steekt uit in zwakte en flaauwheid van geluid.” Schoonmaak zal iets helpen maar Flaes wil ook veel grote pijpen verlengen, de aanspraak van de tongwerken verbeteren en de dispositie van het bovenwerk wijzigen. “Het bovenwerk is slecht voorzien van aangename geluiden, hetgeen de hoofdzaak is van een boven of tweede klavier, de Holpijp en Fluit (Flaes moet respectievelijk de Fluit Douce 8vt en Fluit d’Amour alias Spitsfluit 4vt hebben bedoeld, JvdM) zijn de eenige geluiden waaraan men op dit klavier iets heeft, meermalen heeft men het gebrek hiervan ingezien, vandaar dat men een spitsfluit en Viola di Gamba discant heeft gemaakt, maar het zijn halve maatregelen geweest, aan een discant register heeft men zeer weinig, het loopt over het halve klavier, en daar er nu op dit bovenklavier een Quint 1 ½ voet en een Woudfluit 2 voet is, waaraan men niets heeft, zoo zou het mijn gevoelen zijn deze beide te laten vervallen, en hiervoor in de plaats te maken een Salicionaal 8 voet, gehalveerd (…) dan had men vooreerst de aanwinst van een achtvoets geluid, dat allerbeelderigst is, en ten tweede men kon en de spitsfluit en de Viola di Gamba discant, ieder op zich zelf zeer goed gebruiken bij de bas van de Salicionaal, zoodat men dan niet één maar eigenlijk drie registers gewonnen had, terwijl men niets verliest dan hetgeen toch nooit gebruikt wordt.” Het is duidelijk: Pieter Flaes is stellig in zijn opvattingen over de Quint en Woudfluit!


De brief van Pieter Flaes van 1 augustus 1869 aan de parochie van de Sint Catharinakerk.

Het parochiebestuur is niet op Flaes’ voorgestelde wijzigingen ingegaan. Interessant is dat de Gebr. Adema te Amsterdam, die twee jaar later het orgel onderzoeken, heel andere inzichten hebben. Ze willen het orgel schoonmaken en het regeerwerk afregelen, maar hebben geen enkel probleem met de bovenwerkdispositie. Daarentegen wordt de windvoorziening, waar Flaes niet over gesproken heeft, als zeer gebrekkig ervaren. De winddruk van het instrument is te laag: “Tot het bijbrengen van registers daaraan valt niet te denken” omdat er geen bestaande registers gemist kunnen worden en uitbreiding zou “eene algemeene windcrisis” veroorzaken. Adema raadt dus aan niet “de minsten verandering in het bestaande stemmen familie te maken.” Adema’s advies wordt opgevolgd.

Het Van Dam-orgel (1826) in de Sint Catharinakerk te Amsterdam.
© Collectie P. Bron.

donderdag 20 februari 2025

Een Flaes-orgel bijna buiten gebruik

Op zaterdagmiddag 29 maart 2025 houdt de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici (KVOK) afdeling Noord-Holland haar jaarvergadering in de Nieuwe Kerk in Wormer. Na het huishoudelijke gedeelte vertel ik u meer over Pieter Flaes en zijn orgelbouwbedrijf. Aan de hand van veel foto's laat ik u zien wat kenmerkend is voor het werk van Flaes en we gaan dat na afloop van de lezing natuurlijk ook boven in de orgelkas bekijken!

Het leuke is dat deze lezing regelmatig onderbroken zal worden door orgelspel van Henk Verhoef, op het Flaes & Brünjes-orgel.

Dit instrument is begin 1865 in gebruik genomen. Het is gebouwd in de drukste periode van het orgelbouwbedrijf en is het laatste instrument uit Flaes' vroege periode. Het hierna in gebruik genomen orgel, in de Oudezijdskapel in Amsterdam, heeft meerdere nieuwigheden die daarna consequent door Flaes worden toegepast. Deze middag vertel ik u dat precies.

De Nieuwe Kerk in Wormer wordt binnenkort gesloten. Dat betekent dat het orgel na 160 jaar niet meer voor de primaire functie, de begeleiding van samenzang, zal klinken. Deze middag krijgt u alle gelegenheid om het orgel zelf te bespelen. Nu kan het nog...

KVOK-leden en belangstellenden zijn van harte welkom.

Zaterdag 29 maart 2025, aanvang 14.00u
Kerkstraat 8, Wormer



vrijdag 24 januari 2025

Zeeuwse zorgen: Pieter Flaes' dossier in Zierikzee (1875-1887)

In literatuur vond ik de volgende passage: “Uit een schrijven van de archivaris van de Herv. Gemeente te Zierikzee blijkt dat er sprake is van een orgeltje dat tijdelijk in de Kleine Kerk is geplaatst. Dit zou omstreeks 1875 moeten zijn. Er blijkt een brief te zijn van de Kerkvoogdij aan Ds. Bar, toen te Zaandam waaruit zou af te leiden zijn dat dit orgel geleverd werd door P. Flaes te Amsterdam. Dit gegeven is niet al te duidelijk en zou nader onderzoek verdienen." (1). Dat heb ik geprobeerd te doen, in het kader van het te verschijnen boek over Flaes & Brünjes. Want dominee Bar te Zaandam komt helemaal niet voor... Wel dominee Bax, maar dat is pas later. Hoe zit dat?



Boven: Pieter Flaes (1812-1889). Onder: ds Willem Bax (1836-1918)

Het archief van de Hervormde gemeente Zierikzee bevindt zich bij het Zeeuws Archief, locatie Zierikzee. Met uitzicht op de beeldbepalende toren van de Nieuwe Kerk, zocht ik allereerst in de kerkvoogdijnotulen. Behalve een dispositievoorstel voor een nieuw orgel door de firma Witte, vond ik  in december 1875 een summiere vermelding dat er intern overleg plaatsvindt over een orgel voor de Kleine- of Gasthuiskerk in Zierikzee. Het wordt daaruit niet duidelijk of dit instrument geleverd is door Flaes. In de notulen stond niet dominee Bar maar dominee W. Bax, die in de periode 1874-1884 dominee in Zierikzee was. Hij zou pas daarna te Zaandam dominee worden, dus waarom werd zijn woonplaats in de literatuur Zaandam genoemd. Ook in de (bijlagen bij de) rekeningen vond ik geen betalingen voor het orgel. De vragen bleven vooralsnog.

Ontmoedigd dronk ik een kop koffie en kreeg ineens een brainwave. Het nieuwe orgel voor de Gasthuiskerk werd in 1887 geplaatst. In die periode was dominee Bax wél dominee in Zaandam. Zou de bewuste brief dan kort voor plaatsing van het nieuwe orgel zijn geschreven?

Opnieuw ging ik op zoek en in de correspondentie vond ik inderdaad een uitgaande brief aan dominee Bax, gedateerd op 12 oktober 1886. De kerkvoogdij vraagt in deze brief hun vroegere dominee Bax of die wil meedelen of ´Het orgel in de kerk á costé door de heer Flaes in der tijd geleverd en geplaatst, op den duur voldoet en in goede staat blijft en genoemde heer kan worden aangebevolen”.

Fragment uit de brief van ds. Willem Bax aan de kerkvoogden van Zierikzee, 1886

Over dat eerste orgel voor de Gasthuiskerk in Zierikzee weten we weinig: M.H. van ’t Kruis noteert in 1885 over het instrument dat het “is gemaakt in 1847 door Stulting en Maarschalkerweerd uit Utrecht geleverd” . Met die levering moet Van ’t Kruis de oorspronkelijke bouw bedoelen, want een feit is dat er pas na december 1875 een orgel kwam. Het pijpwerk van het instrument, tegenwoordig in Nijeveen, wijst ook richting Stulting & Maarschalkerweerd. Helaas weten we niet hoe Flaes daar voor 1875 aan gekomen is. Opmerkelijk is dat het instrument in 1887, kort voor vervanging door een nieuw orgel, wordt aangeduid als “seraphine-orgel”, wat officieel een harmonium betekent. Maar tot op de dag van vandaag gaan die termen door elkaar. (2).

We kunnen dus vaststellen dat Flaes, blijkens een brief in 1886, na december 1875 een tweedehands orgel van Stulting & Maarschalkerweerd in de Kleine Kerk van Zierikzee plaatste.

Dominee Bax reageert eind die maand maar gaat niet in op de vraag of Flaes het orgel nog te repareren vindt. Daarentegen schrijft hij heel lovend over Flaes en noemt de goede ervaringen met het Zaandamse Oostzijderkerkorgel, ruim 20 jaar oud. Hij citeert uit overlevering organist Bastiaans, die dat orgel bij de ingebruikname in 1863 bespeelde. Maar ook beveelt Bax drie andere orgelmakers aan: Kruse, Leichel en Witte. Hij refereert respectievelijk aan de nagelnieuwe orgels in Koog aan de Zaan, Schermerhorn en de Oude Lutherse Kerk in Amsterdam.

Inmiddels heeft Ezerman, de organist van de Nieuwe Kerk in Zierikzee, ook contact met Flaes. Flaes vertelt hem dat hij een orgel volledig bespeelbaar klaar heeft staan (het orgel dat een paar maanden later in Tricht wordt geplaatst) en een tweede orgel bijna gereed heeft staan (het orgel dat tegenwoordig in Hiaure staat of het orgel dat in de Doopsgezinde kerk in Middenbeemster staat).

In januari 1887 komt Flaes per stoomboot naar Zierikzee. Hij dient een plan in en verwijst naar de orgels van Zonnemaire (1872, II/ap/12 met transm., fl 3600,-) en Sint Maartensdijk (1882, II/ap/13 met transm., fl 4900,-). Het prijsverschil van fl 1300,- tussen beide orgels is sowieso al opvallend, terwijl de verschillende factoren slechts zijn: 

  • Tien jaar waarin materiaal- en loonprijs kan zijn gestegen
  • Een grotere orgelkas dus iets meer materiaalkosten voor hout en frontpijpen in Sint Maartensdijk
  • Een Roerfluit 8vt extra op het hoofdwerk

Het orgel voor Zierikzee, waarvan we de voorgestelde dispositie door Flaes niet weten, moet fl 3800,- kosten. Het is aannemelijk dat het eenzelfde dispositie moest krijgen als in Zonnemaire. Allereerst gezien de kosten, ten tweede omdat Flaes later een extra Holpijp 8vt op het Manuaal I begroot voor fl 300,- extra. Blijkbaar was er oorspronkelijk geen 8-voets fluit voorgesteld. Als in plaats van een Salicionaal 8vt een Prestant 8vt op het 2e klavier komt, komt er fl 100,- bij. De kerkvoogden verlangen een tongwerk op het tweede klavier maar Flaes raadt dat af. Dat wordt heel duur omdat er dan geen sprake van een gecombineerde windlade kan zijn, maar een aparte bovenwerklade. Het “voegt in kracht weinig toe”.

Flaes bedankt ondertussen voor een belangrijke orgelreparatie en is dan ook heel teleurgesteld als de kerkvoogden kiezen voor een offerte van L. van Dam & Zonen, die een uitgebreidere dispositie heeft voorgesteld. Flaes schrijft teleurgesteld dat hij een orgel á la Sint Maartensdijk half klaar had staan, waarvoor hij fl 5000,- had gehad (dat moet dan toch - vrijwel - volledig afbetaald zijn geweest, gelet op de nieuwbouwprijs van fl 4900,- in Sint Maartensdijk!), maar zo dat er nog genoeg verandering van registers op te maken was. Hij is wel blij met zijn fl 50,- schadeloosstelling, want voor de 2 dagen verzuim was hij fl 32,60 kwijt. Zo gaat aan Flaes in die tijd niet alleen een nieuwe opdracht voor Assendelft (1886) voorbij, maar ook te Zierikzee.

Brief van Pieter Flaes aan de kerkvoogden van Zierikzee, 1887

Van Dam neemt het tweedehands orgel in, wat uiteindelijk in Nijeveen terecht komt. De geschiedenis van Pieter Flaes te Zierikzee eindigt hiermee. Ik rij, dezelfde reis afleggend als dominee Willem Bax 141 jaar geleden, van Zierikzee terug naar mijn huis in Zaandam. Uit het dossier Zierikzee heb ik veel geleerd, maar ook nu roepen vragen weer nieuwe vragen op:

  • Het orgel voor Aarlanderveen(?) (nu Hiaure) of Middenbeemster) stond al op voorraad in de werkplaats
  • Er lijkt een orgelbouwopdracht halverwege te zijn afgebroken. Voor welke opdrachtgever en waarom had die dat instrument al (grotendeels) vooruit betaald?
  • Opnieuw zien we een bevestiging dat Flaes kracht in het orgelgeluid belangrijker vindt dan heel veel registers om mee te "kleuren"
  • Het wordt des te intrigerender waarom Flaes vanaf 1884 met een volledig bespeelbaar tweeklaviers orgel (2/ap/10) blijft zitten, waarmee hij adverteert en het in Zierikzee aanbiedt, voor het uiteindelijk in Tricht terecht kom. 
  • Archiefbronnen kunnen elkaar tegenspreken; enerzijds steekt dominee Bax in 1886 de loftrompet over het 23 jaar oude Zaandamse Oostzijderkerkorgel, anderzijds is in 1893 een reparatie nodig vanwege "den slechten toestand van het orgel".

Het Van Dam-orgel (1887) in Zierikzee. Collectie Zeeuws archief, Beeldbank Schouwen-Duiveland nr DIA-2144.

Het orgel dat hoogstwaarschijnlijk na december 1875 door Flaes in Zierikzee is geplaatst, nu in Nijeveen. Foto Gerrit Wisselink.


Noten
1. Graaf, A.H. de. Het orgel in de Ned. Herv. Kerk te Nijeveen. Geraadpleegd van https://www.orgelsindrenthe.nl/nederlands/nijevhk.html

woensdag 18 september 2024

Muziek zegt alles

Je kunt boeken volschrijven over de klankkwaliteit en veelzijdigheid van de orgels van Flaes & Brünjes. Maar het beste kun je dat natuurlijk gewoon beluisteren!

Met toestemming van Laurens de Man deel ik graag met u de opname die in 2022 door hem is gemaakt op het Flaes & Brünjes-orgel (1868) in de Dorpskerk in Beets. Met slechts 8 registers beschikt het over de kleinste dispositie van Flaes' standaard-instrumenten. Uit deze opname blijkt echter hoeveel klankkleuren daarmee te realiseren zijn.

Kijk, luister en geniet.

Ps: het manuscript voor het boek over de Orgel- en pianobouwers Flaes & Brünjes vordert goed; de fase van "redigeren en losse onderzoekseindjes invullen" is aangebroken. Binnenkort volgt meer informatie daarover.

 


dinsdag 16 juli 2024

De documenten van Knaap

Sommige mensen zou je graag een lintje willen geven. Cornelis Corstianus Knaap (1830-1903) is wat mij betreft zo iemand. Hij was fabrikant van een leerfabriek in Gouda. Als musicus was hij "dilletant", wat zoveel inhoudt als amateur. Behalve secretaris van de Commissie van Toezicht over de Stadsmuziekschool van Gouda en dirigent van orkestvereniging Euphonia, was Knaap organist in twee kerken.

In beide orgels waar Knaap op speelde, heeft hij historisch belangrijke gegevens achtergelaten!

Allereerst in het orgel van de Nederlands Hervormde Armenkerk of Kleine Kerk in Gouda. Knaap bespeelde daar als 17-jarige knaap vanaf 1847 het toen aanwezige kabinetorgel. Dat was tot 1851. Vanaf 1863 zat hij weer op de orgelbank. Vier jaar later kwam er een nieuw orgel, een volwaardig kerkorgel, gebouwd door Flaes & Brünjes. Reden voor Knaap om een net papiertje aan de binnenkant van een zijpaneel van de orgelkas aan te brengen met daarop een overzicht van organisten sinds 1847 en de hele orde van dienst bij de ingebruikname van "zijn" orgel op 23 juni 1867.

Het Flaes & Brünjes-orgel (1867) in de Armenkerk in Gouda.
Enige foto van de oorspronkelijke situatie. © Streekarchief Midden-Holland.


Het paneel uit 1867 met het historische document van organist Knaap.


Detail.

Toen in 1872 in de Remonstrantse Kerk in Gouda ook een nieuw orgel van Flaes kwam, werd Knaap daar ook organist, samen met stadsmuziekmeester Jacob Kwast (1820-1890). Ook hier is eenzelfde papier met gegevens over de ingebruikname en organisten te vinden. Ongetwijfeld heeft Knaap dat aangebracht, nu in een achterwandpaneel. 


Het Flaes-orgel (1871) in de Remonstrantse Kerk in Gouda.  © Streekarchief Midden-Holland.


Het paneel uit 1871 met het historische document van organist Knaap.


Detail.

Knaap werd overigens in de omgeving wel gezien als een deskundige; in 1887 vroegen ze hem Gouderak om advies. Hij adviseert overigens niet direct orgelbouwer Flaes, maar ook van de firma Maarschalkerweerd is hij wel gecharmeerd. Desondanks komt er in Gouderak een Flaes-orgel (het laatste dat de firma heeft gebouwd). Knaap is daar geen organist geworden, er is dus ook geen papiertje in de orgelkas te vinden.

Het is extra bijzonder dat we de twee historische documenten van Knaap na meer dan 150 jaar nog hebben. Beide Goudse orgels staan niet meer in de kaasstad en de oorspronkelijke kassen zijn (grotendeels) verloren gegaan. Desondanks vinden we in kerkgebouw Beth-El in Moordrecht het orgel uit de Remonstrantse Kerk, waarbij de achterwand van de orgelkas nog authentiek is. Knaaps document is daar nog steeds in de orgelkas te vinden. (Een deel van) het orgel uit de Armenkerk staat in de Goede Herderkerk in Amsterdam-Buitenveldert. U begrijpt hoe verrast ik was toen de gastheer zich ineens herinnerde dat er nog een "stukje hout met daarop letters die ik niet kan lezen" in een kast moest staan. Dat bleek het zijpaneel te zijn met daarop het historische document van Knaap. Soms blijkt er toch nog verrassend veel uit het verleden bewaard te zijn!


Het orgel uit de Armenkerk in Gouda staat tegenwoordig in de R.K. Goede Herderkerk te Amsterdam-Buitenveldert.


Het orgel uit de Remonstrantse Kerk in Gouda staat tegenwoordig in kerkgebouw Betth-El in Moordrecht.

Laat het ijdelheid zijn geweest van organist Knaap, maar we zijn daarmee wel twee historische documenten rijker! Hartelijk dank, meneer Knaap!

woensdag 5 juni 2024

Een zoektocht naar antwoorden zorgt voor vragen

Een boek schrijven over de orgel- en pianobouwers firma Flaes & Brünjes kan niet uitsluitend vanachter het bureau. Behalve veel archiefonderzoek bleek het ook nodig om een aantal Flaes-orgels te bezoeken. Om eens grondig te kijken hoe de instrumenten gebouwd zijn. Van Texel tot Reek, van Hiaure tot Noordwelle. Maar een bezoek, op zoek naar bepaalde antwoorden, bleek heel vaak weer vragen te veroorzaken. 

Ik neem u in deze blog mee in een aantal werkbezoeken, waarbij orgeldeskundige Henk Verhoef vaak meeging en dat was heel waardevol! Het "twee paar ogenprincipe" bleek vaak erg nuttig te zijn.

De transmissie-inrichting
Rond de jaarwisseling 2022/2023 werd als eerste het Flaes-orgel (1870) in de Doopsgezinde vermaning in Koog aan de Zaan bezocht. In het bijzonder de transmissie-inrichting van de Bourdon-baslade had onze interesse. Flaes paste deze constructie sinds 1865 toe maar bij bijna alle orgels zijn er sinds de bouw wijzigingen geweest. Het reconstrueren van de oorspronkelijke situatie bleek een uitdaging. Ook in Koog aan de Zaan waren er in de 20e eeuw wijzigingen geweest. Eén zijpaneel kregen we niet geopend, maar ach, zo belangrijk was dat niet. Dachten we... Met vermoedens verlieten we de vermaning. 

Deze vermoedens probeerden we eind februari 2023 te bevestigen met een bezoek aan de Flaes-orgels in Sint Maartensdijk (1882) en Gouderak (1888). Bij deze twee orgels is de Bourdon-baslade origineel respectievelijk (grotendeels) gereconstrueerd. Dankzij dit bezoek kwamen we erachter dat de Bourdon-baslade met transmissie-inrichting een dubbele ventielkast was. En dus bleken er achter dat schijnbaar onbelangrijke zijpaneel in Koog aan de Zaan tóch belangrijke antwoorden te liggen.

Zodoende gingen we korte tijd later voor de tweede keer naar Koog aan de Zaan. Alsof Pieter Flaes het ons moeilijk wil maken, blijken bij alle orgels de zijpanelen een ander slot te hebben dan de panelen in de achterwand. Het was nog een hele zoektocht naar de sleutel van het zijpaneel.


Het geopende zijpaneel tijdens ons 2e bezoek in Koog aan de Zaan (Flaes-orgel, 1870)

Een vierkant gat
Toen we in dichte mist in de winter van 2023/2024 naar Westbroek gingen, troffen we daar het orgel aan dat vroeger in Zaandijk stond (1880). Een oude foto van de speeltafel had vragen opgeroepen. Want waar zat de registertrekker voor de afsluiting van het windkanaal naar de Bourdon-baslade? Een unicum dat de oorspronkelijke Bourdon-baslade daar nog bij het orgel bewaard is, terwijl een compleet nieuwe windlade is gemaakt in 1975. Toch leverde die lade ons het antwoord niet op. Tot Henks oog ineens viel op een klein vierkant gaatje naast het zijpaneel, exact ter hoogte van de oorspronkelijke Bourdon-baslade. Hier moet (om nog onverklaarbare reden) de gezochte registertrekker hebben gezeten! Details leest u te zijner tijd in het boek...

Een wat mysterieuze foto van het gat van de registertrekker, waardoor de afsluiter in het windkanaal naar de Bourdon-baslade van Zaandijk (1880) oorspronkelijk bediend moet zijn.

Originele staat of niet?
Ook het orgel dat oorspronkelijk is gebouwd voor de Remonstrantse kerk in Gouda (1871) werd bezocht. Daarvoor gingen we in juni 2023 naar de Ontmoetingskerk in Moordrecht, waar het tegenwoordig staat. Leuk is om te zien dat bij sommige orgels verrassend veel originele materialen aanwezig zijn. Zo is in Moordrecht het stijl- en regelwerk van het oorspronkelijke front nog voor een deel aanwezig, terwijl er in de jaren '60 een nieuw front is gemaakt.

Het orgel in Moordrecht, met links het stijl- en regelwerk van het oorspronkelijke front zoals dat in Gouda aanwezig was (Flaes-orgel, 1871). Rechts de magazijnbalg. 

In Waverveen, waar het orgel staat dat Flaes in 1871 voor de Doopsgezinde kerk van Kreil maakte, constateerden we het tegenovergestelde. Volgens literatuur was dit orgel nog heel origineel, maar in werkelijkheid blijken er meerdere wijzigingen te zijn geweest. Zo blijkt de bas van de Bourdon 16vt van het Hoofdwerk niet langer meer op het Hoofdwerk te bespelen, maar op het pedaal (C-h). Opnieuw nuttig om zo'n werkbezoek af te leggen.

Voorslagen aan de binnenkant?
Het orgel dat Flaes in 1869 te Uitgeest leverde, had weliswaar een Bourdon-baslade zonder transmissie-inrichting, maar ook hier kwamen we tijdens ons bezoek in april 2024 iets intrigerends tegen. Normaliter had de Bourdon-baslade zonder transmissie-inrichting een enkele ventielkast; het pijpwerk op deze lade is enkel van de Bourdon 16vt (C-h) op het Hoofdwerk. In dat geval zitten de voorslagen aan de kant van het zijpaneel, zodat deze eenvoudig bereikbaar zijn. Die gebruikelijke aanleg constateerde ik bijvoorbeeld in de Lutherse Kerk in Beverwijk (1875). Maar in Uitgeest zitten de voorslagen aan de binnenkant! Het is vooralsnog onduidelijk waarom dat is, want ze zijn lastig bereikbaar. We weten zeker dat deze windlade oorspronkelijk geen dubbele ventielkast had, want de fundamentbalk zit niet in het midden. Bovendien wijzen gegevens in het kerkelijke archief en een oude foto van de speeltafel daar ook niet op.

De Bourdon-baslade in Uitgeest. De fundamentbalk zit overduidelijk uit het midden zodat het geen dubbele ventielkast kan zijn geweest. Desondanks zitten de voorslagen aan de kant van de manuaallade. Vooralsnog onlogisch en uniek! Reden voor een bezoek in Hazerswoude.

Dit orgel is gebouwd naar voorbeeld van het orgel in Hazerswoude (1868). Hoewel dat flink verbouwd is, voelt u 'm al aankomen: het Uitgeestse bezoek leidt binnenkort tot een bezoek aan Hazerswoude. 

Balgen treden
Het was ook interessant om bij enkele Flaes-orgels, waar de oorspronkelijke trapinstallatie nog aanwezig was, eens goed te luisteren. Is de klank bij getreden wind, zoals in Flaes' tijd, anders dan bij het gebruik van een elektrische ventilator? Zodoende werden de spaanbalgen in Zaandam (Oostzijderkerk, 1863) en de magazijnbalg in Limmen (1876) getreden. Er klonk geen wezenlijk verschil.

Het potloodstreepje
En dan heb ik het nog niet over "het potloodstreepje". Want in Limmen (1876) werden we gewezen op het potloodstreepje op de registertrekker van de Manuaal-Bourdon 16vt. Het pedaal was hier oorspronkelijk aangehangen. In literatuur (Hans van Nieuwkoop e.a.) wordt gesteld dat Flaes dit potloodstreepje aanbracht halverwege de trekker. Uitgetrokken tot het potloodstreepje, klinkt de Bourdon 16vt alleen in de bas. Eerlijk gezegd hadden wij onze twijfels: Flaes kennende, bouwt die degelijk en verwachten we in plaats van een potloodstreepje een duidelijke inkeping waar een registertrekker in gehaakt wordt. Reden om een tweede keer naar Beverwijk te gaan. Totaal tegen onze verwachting in, is daar ook een potloodstreepje te zien.

Het potloodstreepje aan de rechterkant van de registertrekker van de Bourdon 16vt in Beverwijk.

U begrijpt dat een tweede bezoek aan Schellinkhout (1872) of Tricht (1887) op de nominatie staat, want daar hebben we de eerste keer niet op zo'n potloodstreepje gelet.

Wordt vervolgd!

Flaes in De Kloof

Recent is het Strümphler-orgel in de Grote- of Eusebiuskerk in Arnhem na een grote restauratie opnieuw in gebruik genomen. Met reconstructie...